Wanneer Vedānta wetenschap wordt en wetenschap poëzie
Lang geleden, toen de bomen nog sagen en legenden vertelden, toen de tātambarī’s (sādhu’s in jute zakken gekleed) en de digambara’s (in lucht gekleed) nog vrij rondzwierven in de jungle, kwam er in Rishikesh een zoeker aan. Indische filosofie bestuderen was zijn doel.
In de āśrama van de Divine Life Society van Swami Sivananda mochten bezoekers drie nachten verblijven. Andere opties dienden persoonlijk bij de secretaris van de āśrama, Swami Krishnananda, aangevraagd te worden. De swami had de naam eerder direct, kortaf en soms humeurig te zijn. Blijkbaar ging niet iedereen er met een gerust hart op bezoek.
Zijn kutīr (kamer) was steeds gevuld met mensen. Toen hij de nieuwe bezoeker opmerkte, was zijn vraag meteen: “Wat wil je?” “Swamiji, is het mogelijk om een langere tijd in de āśrama te verblijven?” Swami Krishnananda zei: “Ik vroeg je niet hoelang je in de āśrama wil blijven, de vraag is wat je werkelijk wil”.
Dit ging razendsnel naar de kern ....en, zonder er bij na te denken kwam het antwoord:
“Swamiji, ik wil God zien. Dat wat werkelijk is”.
Maar wat en waar was deze werkelijkheid? Kan iemand die zien en wat was Swami Krishnananda’s visie op deze werkelijkheid?
De daaropvolgende maanden waren een onderdompeling in de geschriften.
Swami Shankarananda sprak dagelijks over de Yoga sutra; Pranavananda mataji over de Bhagavad Gītā en swami’s Nilikanthananda, Brahmananda en Krishnananda over de Upanișads, de basis van alles. Purușa, prakriti en kaivalya, dharma, mokșa en māyā, prāna, prajňa, tūrīya en ātman, brahman en nog veel meer. Woorden, begrippen, concepten uit het grenzeloos uitgestrekte woud van het Vedische en Indische denken. Verlicht door ontelbare fonkelende sterren aan het uitspansel van het bestaan. Een tocht in de uitgestrektheid, waar men alle bekende wegen achter zich kan laten en waar achter elk nieuw ontdekt pad er telkens vele andere schuilen. “Voor wie onbevreesd het ongekende tegemoet treedt en gaat waar anderen vrezen te gaan”, volgens de Tejobindu Upanișad.
Een beetje zoals in ‘Steppenwolf’, de roman van Herman Hesse, waar het hoofdpersonage op een gang terecht komt met een reeks gesloten deuren. Eén deur dient gekozen te worden en die zal het verdere leven bepalen. Het wordt de deur met het opschrift “prijs voor de toegang: je geest”.
Al deze lessen, die de swami’s over de traditionele geschriften gaven, waren niet theistisch gekleurd, maar filosofisch gericht. Geen dogma, maar bevrijding. Een voortdurend onderzoek en diepgravende analyses volgens de Nyaya-Vaiśeshika logicascholen. Op welke wijze kunnen we de werkelijkheid vaststellen, kunnen we ze kennen. Wat betekent deze werkelijkheid voor ons en voor ons leven in het perspectief van het universele.
Want in de wereld van de Veda’s, de geschriften, de śruti, weerklinkt dit lied van het universum in alle oneindigheid, verscheidenheid en pracht. Het is dat wat zijn neerslag vindt in de satdharśana, de orthodoxe en niet-orthodoxe filosofische scholen en gezichtspunten.
Wat vastgesteld wordt door middel van de zes methoden van kennis, en leidt tot het kroonjuweel van onderscheidingsvermogen, viveka.....
In deze geschriften, die zich openbaren in de diepste meditatie, is elk woord en elke stilte, is elke gedachte geënt op, gedesemd door en doordrongen van een enigma. Een zwart gat.
De wijsheid en het ultieme inzicht van al deze geschriften gaan uiteindelijk niet over het kennen van alles wat is, maar over dat wat niet gekend kan worden. “Dat waarvan woorden en gedachten terugkeren zonder het ooit te bereiken...” volgens de Taitiriya Upanișad.
De stilte waaruit alle klanken oprijzen. De stilte die onderliggend steeds aanwezig is. En de stilte waarin alles terug verdwijnt.
Dat waaruit het universum ontstaat als een weerspiegeling. Dat wat altijd de essentie is en waarin dit universum (en alle andere) terug in verdwijnt. Een zwart gat.
Het zwarte gat dat ons, als kern van ons zijn, onweerstaanbaar roept. Wat ons diepste verlangen is. Het zwarte gat waar we soms gans het leven rond dansen of dat we angstvallig trachten te vermijden. Het absolute dat in de Veda’s brahman wordt genoemd.
Over deze essentie geven de geschriften nauwkeurige, maar totaal ongrijpbare aanwijzingen en beschouwingen. Het zevende vers van de Mandūkya Upanișad spreekt over dat wat “niet kan gezien worden; onmogelijk te verwoorden is; wat onbegrijpelijk, zonder kenmerken, ondenkbaar en onvoorstelbaar is”.
Het is de kennis en onkenbaarheid van het ene ‘zelf’, waarin de wereld en het universum is en niet is. Het is het niet-twee-zijnde (advaitam). En bij de afwezigheid van het begrip ‘twee’, verliest ook het begrip ‘één’ elke betekenis.
De Kena Upanișad verwoordt het eerder paradoxaal: “...Wie het (absolute) niet kent, die kent het. Wie denkt het te kennen, kent het niet. Het wordt niet begrepen door wie denkt het te begrijpen, maar het wordt begrepen door wie het niet begrijpt”. Kena II.3
Gaan de geschriften dan in wezen niet over kennen en begrijpen? Of gaan ze over ‘dat’ wat is, ‘dat’ wat begrijpt?
‘Dat’ is voorbij de tweedeling. Voorbij dat wat waargenomen wordt en voorbij de waarnemer.
Voorbij het object-subject gegeven. Voorbij wat lijkt te ‘zijn’, en wat is.
In het boek van Swami Vivekananda over ‘Jňāna yoga’ (de yoga van kennis) komt dit duidelijk naar voor in één stelling, die ons onmiddellijk in de eindeloosheid katapulteert:
“Alles wat vervat zit in tijd-ruimte-causaliteit is illusie”. Wat zich in tijd-ruimte en dus ook binnen oorzaak en gevolg afspeelt - het ganse waargenomen universum - is in feite een projectie, een weerspiegeling van wat echt is. ‘Dat’ (tat), de werkelijkheid, is voorbij tijd en ruimte.
Aangezien het menselijke denken zich steeds in tijd en ruimte afspeelt, kunnen we dit concept onmogelijk rationeel benaderen. De mystiek, de metafysica en poëzie zijn dan de werelden waarin dit alles het dichtst wordt benaderd en uitgedrukt.
Maar is er ook een wetenschappelijke bevestiging en weerspiegeling voor deze stellingen?
Swami Krishnananda stelde het duidelijk: “Wetenschap (kennis) en religie (‘zijn’) zijn onlosmakelijk verbonden, als ze objectief bestudeerd worden”.
Laat ons trachten de bevindingen en stellingen van de Veda’s, over dat wat voorbij het tijd-ruimte continuüm ligt, te verbinden aan de inzichten van onze huidige wetenschap. Dan komen we al snel terecht bij de kwantum wetenschap en de astrofysica van de zwarte gaten.
De Brihadāranyaka Upanișad uit de Yajur Veda stelt dat tijd en ruimte diep met elkaar vervlochten zijn. Maar in de verdere analyse van deze vaststelling rijst meteen ook de vraag naar dat wat op zijn beurt het tijd-ruimte weefsel draagt.
“Dat wat boven de hemelen is en beneden de aarde en dat wat tussen hemel en aarde is; dat wat de mensen het verleden, heden en toekomst noemen, dat is geweven rond de ruimte (ākāśa), als schering en inslag.”
“Over wat is ruimte (ākāśa) dan geweven als schering en inslag?” BRIH.III.8.7
Het antwoord is, daar alle waarneming zich afspeelt in tijd-ruimte, dat het onderliggende aan tijd-ruimte niet kan waargenomen worden, maar het waarnemen zelf is.
“Het eeuwige kan niet gezien worden, maar het is dat wat ziet. Het kan niet gehoord worden, maar het is dat wat hoort. Het kan niet gedacht worden, maar het is dat wat denkt. Het kan niet gekend worden, maar het is dat wat kent. Er is niets anders dat ziet, hoort, denkt of kent”. BRIH.III.8.12
In de woorden van de universeel denkende Swami Krishnananda: “Het oneindige is niet enkel zonder einde in tijd en ruimte, maar het is tijdloos en ruimteloos. Het is zuiver ‘zijn’.
Onverdeeld, ongelimiteerd, ongeconditioneerd”. Of zoals in één van zijn andere commentaren op de geschriften: “De schepping, het universum, is de manifestatie van het absolute in tijd en ruimte. Dit is geen twee-heid van het absolute, maar eerder een projectie zoals een droom in bewustzijn”. “Tijd en ruimte zijn instrumenten van de geest waardoor deze de wereld kan waarnemen. Maar het absolute kan nooit een object van de geest zijn.”
Brahman, het absolute, is dat wat voorbij tijd-ruimte is. Voorbij māya, het universum zoals wij het kennen. Maar hoe verhoudt guhā, letterlijk het zwarte gat van de Veda’s, zich met het zwarte gat uit de huidige wetenschap?
In 2024 pikte de James-Webb telescoop een licht op dat werd uitgezonden toen het universum nog maar 430 miljoen jaar oud was. Piepjong tegenover de huidige 13,8 miljard jaar. Dat licht kwam van één van de vroegste en eerste sterrenstelsels (GN-z11), dat blijkbaar een vraatzuchtig zwart gat herbergde. De straling van dit vroegste zwarte gat was bijna 13.4 miljoen jaar onderweg voor ze aankwam in ons zonnestelsel. In de halo (de bolvormige ruimte die sterrenstels omringt) van dit sterrenstelsel konden de wetenschappers de aanwezigheid vaststellen van gaswolken bestaande uit waterstof en helium. Zwaardere elementen bleken afwezig. Dit wijst er op dat deze gaswolken in de daarop volgende miljarden jaren zijn samengetrokken en andere sterren hebben gevormd. Deze zijn op hun beurt opgebrand en daaruit zijn later andere sterren met zwaardere elementen ontstaan. Alle materie in ons universum is dan ook opgebouwd uit helium en waterstof.
“We are stardust, we are golden...” zong Joni Mitchell, “and we have to get back to the garden”.
Maar hoe ontstond dit zwarte gat in dit sterrenstelsel en wat zijn de eigenschappen van een zwart gat?
Onze schepping is opgebouwd uit atomen. Deze atomen bestaan op hun beurt uit een procentueel heel klein deel massa, neutronen en protonen, en uit een veel groter deel energie. Gekende energie en ongekende energie, dark energy. De atomen bewegen op deze energie. Als al de energie en kracht verdwijnt, zoals bijvoorbeeld bij het opbranden van de nucleaire energie in sterren of sterrenstelsels, dan wordt de massa van al deze atomen samengeperst. Er ontstaat vervolgens een massieve comprimering en densiteit van massa op een kleine ruimte. De massa wordt zo zwaar dat het zwaartekrachtveld dit niet meer kan ondersteunen en verzinkt dan in een zwart gat, in een toestand die ‘singulariteit’ wordt genoemd.
De grens rond het ontstane zwarte gat wordt gezien als de waarnemingshorizon of kosmische horizon. Deze singulariteit is, volgens de meest vooraanstaande wetenschappers, een toestand voorbij tijd-ruimte.
Einstein gaf reeds de relativiteit van tijd-ruimte aan. En huidige onderzoeken gaan in de richting van een theorie over een punt, of kromme, waar tijd en ruimte samenvallen.
Volgens de bekendste Britse natuurkundige en kosmoloog Stephen Hawking: “houden tijd en ruimte op te bestaan bij singulariteit, de wetten van de fysica falen dan”.
Het wordt nog intrigerender als onze wetenschappers denken dat alle data van een ster of sterrenstelsel samen met de ster of het sterrenstelsel in een zwart gat verdwijnt. Mocht dit gebeuren met ons melkwegstelsel zou er dus niets overblijven van de geschiedenis van alle levende wezens, alle gedachten, alle genetische codes.... Maar, volgens sommigen, zou het kunnen dat deze data wel achterblijft op de ‘kosmische horizon’, de kring die zichtbaar blijft waar het zwarte gat verdween....
Stephen Hawking gaat verder: “Het universum ontstond uit singulariteit, de toestand van een zwart gat, en is onderworpen aan de wetten van de wetenschap. En dezelfde wetenschap voorspelt ons dat veel verschillende universa spontaan uit het niets zullen gecreëerd worden...”
Alles wat zich in tijd-ruimte bevindt, is dan ontstaan uit wat voorbij tijd-ruimte is.
Is alles in tijd-ruimte, het universum, dan niet doordrongen van haar oorsprong, het zwarte gat? Het leven van de dood? Het lied van de stilte?
“Er was alleen het ene, niets anders bewoog…”, zo beschrijft de Aitareya Upanișad de toestand vóór de schepping.
Brian Cox, de bekende fysicus van Manchester University, beschrijft het poëtisch:
“Wij zijn de bewustwording van de kosmos en het leven is de manier waarop het universum zichzelf herkent.”
De grenzen tussen wetenschap en poezie, fysica en spiritualiteit, verdwijnen hier duidelijk in een zwart gat.
Toch trachten we, in navolging van Swami Krishnananda, spiritualiteit en wetenschap samen te brengen. Misschien zouden zijn ogen fonkelen bij dit volgende overzicht:
Fysica
Zwart gat
Singulariteit, geen tijd en ruimte
Voorbij de wetten van de fysica
Volledige densiteit
Kan niet waargenomen worden
Swami Krishnananda
Brahman in de Advaita Vedānta
Brahman, voorbij tijd en ruimte
De onderverdelingen van de schepping en de geest verdwijnen
Brahman is één en onverdeeld
Kan nooit een object zijn, alleen gerealiseerd worden
Waar brengt ons dit alles? Terug (zoals immer, altijd, onvermijdelijk) bij de Upanișads.
In dit geval de Chāndogya, waar Śvetaketu onderricht krijgt van Udāllaka, zijn leermeester, over wat werkelijk is en wat hijzelf is.
“Breng me het fruit van de boom, Śvetaketu. Breek het. Wat zie je?” ”Kleine zaadjes, heer.” “Breek één van deze kleine zaadjes. Wat zie je nu?” “Helemaal niets, heer.””Waarlijk, uit die subtiele essentie die je niet kan waarnemen, uit dit niets, groeit deze ganse boom. Deze subtiele essentie is het ‘zelf’ van de gehele wereld, Śvetaketu, en dat ben jij.”
Tat tvam asi. CHĀN.VI.13.3
Met dit bewustzijn keek Swami Krishnananda naar de zoeker, en naar alles om zich heen, als een punt in het eindeloze, gedurende een flits in het tijdloze. De in lucht geklede sadhu voelde geen verschil tussen hemzelf en de grenzeloze Himālayas, En de bomen gaven hun sagen en legenden door in zaadjes met leegte gevuld.